Het onderwerp, de persoonsvorm, het werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde

Gatenoefening.

Duid in de onderstaande zinnen het O, de Pv, het wwg of nwg aan.
Vb. 1. Onze lerares Nederlands heet Virginie Claeys.
O = Onze lerares Nederlands
Pv = heet
gezegde = nwg = heet Virginie Claeys
1. Tijdens die les zit mijn broer naast Soetkin Blomme.
O =
Pv =
gezegde = =
2. Hij zit voortdurend met haar te praten.
O =
Pv =
gezegde = =
3. Pieter loopt ooit eens tegen de lamp.
O =
Pv =
gezegde = =
4. Regelmatig wordt hij door zijn bezorgde lerares gewaarschuwd.
O =
Pv =
gezegde = =
5. Pieter De Busscher is een hardleers ventje.
O =
Pv =
gezegde = =
6. Ongegeneerd richtte hij zich onlangs tot de directeur.
O =
Pv =
gezegde = =
7. Hij sprak hem op een onbeleefde manier aan.
O =
Pv =
gezegde = =
8. Daarvoor moest Pieter zich onmiddellijk excuseren.
O =
Pv =
gezegde = =
9. Het loopt met hem zeker slecht af.
O =
Pv =
gezegde = =