Het werkwoordelijk gezegde
Wijs in de volgende zinnen telkens het werkwoordelijk gezegde aan.
Vb. Kinderen zullen binnenkort veiligheidspasjes krijgen. -->
zullen krijgen
-
Een Nederlandse familie trok naar Engeland -->
-
Ze hadden er een vakantiehuisje gereserveerd. -->
-
De man wou er een bijzondere tentoonstelling bezoeken. -->
-
Die tentoonstelling vond plaats nabij Oxford, 80 km verder. -->
-
De rest van de familie besloot op het vakantiedomein te blijven. -->
-
De Nederlandse toerist liet hen achter in het vakantiehuisje. -->
-
's Avonds had de man te kampen met een ernstig probleem! -->
-
Hij vond zijn vakantiehuis niet meer terug. -->
-
De straatnaam had hij onthouden. -->
-
De naam van de gemeente herinnerde hij zich echter niet meer. -->
-
Na 50 km ging hij naar de politie. -->
-
Die zocht met de man mee. -->
-
Onze Nederlandse toerist stelde alle hulp op prijs. -->
-
Uren later troffen ze de rest van de familie zenuwachtig aan. -->
-
Zoiets had nooit mogen gebeuren... -->