Werkwoorden in de tegenwoordige en verleden tijd
Quiz
Typ het correcte antwoord.
-
Hij (spoeden - vt) zich naar de vergadering.
-
Jij (snijden -tt) de groenten fijn.
-
Jij (schillen, tt) de aardappelen.
-
Mijn vriendin (schrijven, vt) me een brief.
-
Elke dag (bidden, tt) de pastoor in zijn kerk.
-
Ik (posten, vt) mijn brief verleden week maandag al.
-
De burgemeester (openen, vt) de tentoonstelling.
-
(Besteden, tt) jij veel aandacht aan je uiterlijk?
-
Gisteren (planten, vt) de buren alle struiken.
-
(Betalen, tt) jij mijn koffie?
-
Hij (schieten,vt) met zijn pijl in de roos en miste niet.
-
Hij schoot met zijn pijl in de roos en (missen, vt) niet.
-
Ze (weigeren, tt) het belachelijke voorstel te aanvaarden.
-
(Branden, tt) dat gebouw nog steeds?
-
Ze (dansen, tt, ev.) graag op muziek.