De verleden tijd (1)

Gatenoefening

In de volgende oefening werden een aantal werkwoorden uitgewist. Je vindt de infinitieven tussen haakjes. Zet de werkwoorden in de verleden tijd.

1. Toen die oude tantes op bezoek kwamen, (praten) ze steeds over vroeger.
2. Zus (breien) sokjes voor broertje.
3. We (ontmoeten) elkaar voor het eerst tijdens een vakantie aan zee.
4. Hij (binden) het touw stevig rond zijn middel en liet zich zakken.
5. Het feestcomité (verloten) twee prachtige fietsen.
6. Toen het werk klaar was, (zuchten) hij.
7. Ik (missen) iets toen ik thuis kwam van school, maar ik wist niet wat.
8. De Belgische ploeg (verslaan) de Fransen met succes.
9. Het (bevreemden) me steeds meer dat er niemand kwam opdagen.
10. Het (opvallen) dat het oude dametje nog heel kranig was.