In de volgende oefening werden een aantal werkwoorden uitgewist. Je vindt de infinitieven tussen haakjes. Zet de werkwoorden in de verleden tijd.
1. Toen die oude tantes op bezoek kwamen, (praten) [?] ze steeds over vroeger.2. Zus (breien) [?] sokjes voor broertje.3. We (ontmoeten) [?] elkaar voor het eerst tijdens een vakantie aan zee.4. Hij (binden) [?] het touw stevig rond zijn middel en liet zich zakken.5. Het feestcomité (verloten) [?] twee prachtige fietsen.6. Toen het werk klaar was, (zuchten) [?] hij.7. Ik (missen) [?] iets toen ik thuis kwam van school, maar ik wist niet wat.8. De Belgische ploeg (verslaan) [?] de Fransen met succes.9. Het (bevreemden) [?] me steeds meer dat er niemand kwam opdagen.10. Het (opvallen) [?] dat het oude dametje nog heel kranig was.