De tegenwoordige tijd (2)

Gatenoefening.

Zet het gegeven werkwoord in de tegenwoordige tijd.
1. Een blinde (hebben) het niet gemakkelijk om de straat veilig over te steken.
2. In het Nederlandse Utrecht (proberen) men nu de 'trilkastjes'.
3. Van zodra het licht op groen (springen) , (beginnen) het trilkastje te trillen.
4. De blinde (weten) dan dat hij veilig (kunnen) oversteken.
5. Soms (gebruiken) ze nog geluidskastjes.
6. (Vinden) je verschillende van die geluidskastjes dicht bij elkaar, dan (zorgen) al dat getik voor verwarring.
7. Soms (klagen) een buurtbewoner ook wel eens dat het tikken hem 's nachts (storen) .