Zet het gegeven werkwoord in de tegenwoordige tijd.
1. beloven Karel [?] voor de zoveelste keer dat hij een goed rapport zal hebben.2. uitzenden De radio [?] tijdens de zomermaanden berichten voor toeristen .3. aanvaarden Waarom [?] je zijn verontschuldigingen niet?4. beantwoorden Een groot aantal vrienden [?] onze uitnodiging niet.5. lijden Die man [?] aan achtervolgingswaanzin.6. wedden Wie [?] er met mij voor 25 euro?7. veroveren Die Vlaamse zanger [?] de harten van vele meisjes.8. verlangen [?] je vader ook zo naar vakantie?9. adverteren Die firma [?] reeds jaren in de telefoongids.10. herstellen [?] jij die radio zelf?